Nieuws

Gastcolumnist

Ditmaal geen artikel van de redactie, maar een artikel van gastcolumnist Aleida Leeuwenberg, bewoonster van de Velsen Express, gelegen aan de Ertskade te Amsterdam. Speciaal voor de website van Projectbureau Schoonschip schreef Aleida Leeuwenberg een artikel over haar leven op het water en hoe dit door de jaren heen is veranderd. In de jaren zeventig van de vorige eeuw was het wonen op het water nog uiterst primitief; een oliekachel en een aggregaat werden al als luxe beschouwd. Ook werd er nauwelijks gelet op woonbootbewoners... de scheepvaartinspectie had wel andere dingen te doen. Anno 2009 is dit zeker wel anders.

Voor Aleida Leeuwenberg voelen de vele veranderingen en ontwikkelingen omtrent wonen op het water als ‘nieuw vel' en daar valt maar moeilijk aan te wennen. Zeker gelet op de milieubewuste wijze waarop zij leeft. Toen Aleida Leeuwenberg in de jaren tachtig van de vorige eeuw de Velzen Express kocht, was het nog niet mogelijk om stroom van de gemeente te krijgen. Ze heeft toen geïnvesteerd in twee windmolens en twee zonnepanelen die een accu opladen. Deze accu heeft een capaciteit van 800 Ampère uur; dit is voldoende stroom om 16 uur te stofzuigen. En dan mag je verder geen enkel ander elektrisch apparaat aan hebben staan.

Mast

Een van de twee windmolens van de Velsen Express.

Zonnepaneel

Ook de zonnepanelen zorgen voor stroom.

Met een dergelijke stroomvoorziening moet je als woonbootbewoner wel bewust met energie omgaan. De sterkste lamp aan boord van de Velzen Express is dan ook slechts 20 Watt, de overige lampen zijn LED-jes. Als er geen wind staat en de windmolens de accu niet op kunnen laden, kan het wel eens gebeuren dat Aleida Leeuwenberg een tijdje niet kan stofzuigen of dat de elektrische deken een paar dagen niet wordt gebruikt. Ook komt het geregeld voor dat ze een olielamp of een kaars aansteekt...

Vanuit deze achtergrond is het goed voor te stellen dat de huidige tijd van pompinstallaties op 220 Volt en walslangen die 20 Watt per strekkende meter nodig hebben om op temperatuur te blijven, aanvoelt als ‘nieuw vel'. Uiteraard hebben we hier te maken met de kritische, maar persoonlijke beschouwing van één woonbootbewoner. Andere bewoners, maar ook het Projectbureau zelf, kunnen een andere mening zijn toegedaan en de ontwikkelingen omtrent wonen op het water op een geheel andere wijze beleven. Toch wil het Projectbureau u de kleurrijke memoires van Aleida Leeuwenberg niet onthouden.

Nieuw vel

1950
Ik zat aan de oever van het Spaarne, en zag een schip voorbijvaren. De deuren van het stuurhuis stonden open. Op een van de bolders zat een man, die een pijpje rookte. Aan het stuurwiel stond een vrouw. De zon glansde in de ramen van het stuurhuis en het blank gelakte houtwerk. Ik dacht: dat wil ik ook.

1960
Het werd tijd om te vertrekken uit mijn ouderlijk huis. Ik wist nog niet waarheen. Maar een ding wist ik zeker: niet naar de nieuwbouw. Ik hou van oud. Daar valt tenminste nog iets aan op te knappen.

1970
Het huis was klein en het kind werd steeds groter. We hadden het oog laten vallen op een leegstaand pand, een droomhuisje. Maar de eigenaar bleek een boef, die het niet wilde verhuren, en die, in het geval van kraak, onmiddellijk een knokploeg zou sturen. Daar begin je niet aan met een kind.
We fietsten langs de Amstel. Daar lag een tjalk te koop, voor 3000 gulden. Nee, ik ben geen nul vergeten. Er stond water in het ruim- dat kwam van de regen. De motor stond ook vol water- ook van de regen, het emmertje was van de uitlaatpijp gewaaid. We kochten die tjalk.
Toen mijn jongste zoon geboren werd, aan boord, op eerste Kerstdag- was het redelijk bewoonbaar. Buiten vroor het dat het kraakte. We schoven het wiegje naast de oliekachel, dan weer aan de ene kant en dan weer aan de andere want de baby, die met zijn knuistjes boven de dekens lag, had een roze en een blauw handje, en het leek ons beter om dat af te wisselen.
Het waren stroomloze tijden. Een lantarenpaal hebben we nooit gekraakt, niet uit eerbied voor de lantarenpaal, of voor de overheid, maar omdat het -ongemerkt- kraken van zo'n ding erg moeilijk is.

Er kwam een aggregaatje, merk Briggs&Stratton, door binnenschippers vertaald in Britse Straathond. Het stond op het voordek, zover mogelijk van het woongedeelte, want er steeg een liederlijk gekef uit op. Er kwam ook een centrifuge, op 24 volt. Al die druipende luiers, die er soms dagen over deden om droog te worden, dat werd me te veel.
De centrifuge stond achter, in het stuurhuis. Deskundigen raden het al: het apparaat kwam niet op gang. Er werd een verlengsnoer opgewarmd, meer niet. We hebben daar sommetjes over moeten maken, op school, over spanning, weerstand en stroomsterkte, we hebben daar voldoendes voor gehaald. Maar we wisten het niet in praktijk te brengen.
Die Britse Straathond is met een buurman meegegaan, en de centrifuge is ook niet lang gebleven.
Die tjalk, gebouwd als zeilschip, werd weer onder tuig gebracht. We gingen charter varen. De scheepvaartinspectie bemoeide zich nog niet met deze sector, de kosten waren gering, het verdiende goed.

Het had ook nadelen. De oudste zoon, zes jaar, zat te pokeren om geld, de jongste pikte suikerklontjes, de scheepshond, een heel kwiek rattenvangertje, veranderde iedere zomer in een moddervette bedelaar, de fles kwam steeds vroeger op tafel, en een vrouwelijke passagier ging er met mijn man vandoor.

1980
Ik woonde, met mijn twee kinderen, in een huis; naast een hork. "Als ik nu op een schip woonde", dacht ik, "ging ik een eindje verderop liggen." Toen zag ik de Velzen Express. Hij lag te koop, voor vijfentwintigduizend gulden. Een groot bedrag. Maar er was wel een brief bij, van B&W van Amsterdam, waarin stond dat het schip in deze stad een ligplaats mocht innemen, en dat was me wel wat waard- niet meet het risico lopen dat de kinderen uit school komen en slechts een briefje op de kade vinden: Sorry. Moest weg. Lig voor anker in het Buiten-IJ.
Het is een lang, laag scheepje. Gemaakt om onder alle bruggen door te varen, als de mast gestreken is, en het stuurhuis geklapt. Het deed me denken aan het schip dat ik, dertig jaar daarvoor, op het Spaarne had gezien.
Ik kocht het.

Hoewel er toen al werd gezegd, door de overheid, dat wonen op het water een geaccepteerde woonvorm was, kreeg ik nog steeds geen stroom. Al mijn buren hadden een aggregaat. Maar ik ken mezelf: ik ga zo'n ding pas starten als het licht uitgaat. Ik kocht een windmolen, die, lekker hoog, op het topje van de laadmast kwam. Daar kwamen nog twee zonnepanelen bij, en later ook nog een klein windmolentje, dat achterop staat. Ik zit evengoed nog wel eens bij een kaars. Maar dat vind ik niet erg.

1990
Het schip kreeg een echte ligplaatsvergunning, maar de stroom kwam nog steeds uit het naastbijgelegen kraakpand; het water werd gebracht door de waterboot. Door de komst van zuinige lampen, en het instorten van de wasmachine- voortaan ging ik naar de wasserette- had ik dat draadje walstroom eigenlijk niet meer nodig.
Het werd door de overheid gebracht als een kadootje, de legalisatie van het woonschepenbestand, maar 't was meer een Trojaans paard- waarvan de buik niet vol zat was met krijgers maar, heel modern, met vensterenveloppen. We werden plotseling bestookt met verhoogde aanslagen en nieuwe heffingen, en er kwam zelfs een plan op tafel om van iedere bootbewoner minstens een halve ton aan erfpacht te eisen. Dat ging gelukkig niet door. En ik dacht dat het mijn tijd verder wel uit zou houden.

2000
Toen kwam de draak Europa.
Ik heb verklaard, tijdens een informatiebijeenkomst bij Rijkswaterstaat in Haarlem, dat ik bereid was om, ten overstaan van getuigen, een glas water uit de Ertshaven te drinken. Daar lag toen nog geen enkel schip aan het riool. Er werd een beetje gelachen, alsof ik een grap maakte, maar ik meende het. Als er geen olievlekken drijven, of dode beesten, en er geen blauwalgen met het IJsselmeerwater mee naar binnen zijn gekomen, is het hier heerlijk zwemwater. Ik zwem er al dertig jaar iedere ochtend in, van half Mei tot eind September.

Evengoed eist Europa:
Dat ik mijn schip op de helling zet, om de standpijp dicht te lassen.
Dat ik een heel klein en mager mens opduikel, die in een hele kleine ruimte las- en snijwerk kan verrichten.
Of dat ik een muur uit mijn kamer breek en dat ik de betonnen vloer uit het badhokje breek, om een nieuwe pot te installeren, met zwanenhals en een stortbak ophang - hoewel daar geen ruimte voor is - want met mijn handpompje kan ik zo'n w.c. niet doorspoelen, welke stortbak in de winter bevriest - de zwanenhals trouwens ook - want het kan nogal vriezen in het badhok.
Dat ik een aansluiting neem op het lichtnet,
om 37 meter slang met een warmtelint boven nul te houden a raison van 20 watt per strekkende meter, wat in een etmaal - als het echt koud is - meer gaat kosten dan mijn totale jaarverbruik, toen ik nog een draadje uit het kraakpand had.

De eerste punten zijn alleen maar een ramp voor mezelf.
Maar dat laatste, Europa, dat kan ik niet in overeenstemming brengen met mijn milieugeweten.

 

Aleida Leeuwenberg

Aleida Leeuwenberg op de Velsen Express.

 

Wilt u ook uw ervaringen delen met andere woonbootbewoners? Stuur dan een mail naar redactie@projectbureauschoonschip.nl. Wie weet wordt u een van onze volgende gastcolumnisten.